(Door Inki de Jonge, zaterdag 1 juli 2000, Nieuwsblad van het Noorden)

Hans van Lier en het 'wacht maar' gevoel

Hans van Lier, bluesgitarist, is geen prater, hij zegt het direct maar even. Aan interviews heeft hij een gruwelijke hekel, gewoon omdat hij het moeilijk vindt om iets te verwoorden. Radio? Begint hij niet aan. Hij komt uit Siddeburen en daar worden sowieso niet veel woorden vuil gemaakt, aan niks, en bovendien spreekt hij immers de enige taal die er toe doet; muziek.

Hans van Lier (39) is klein van stuk. Zachte stem, verlegen. Maar het is zo'n iemand die op het podium Een Compleet Anders Mens wordt. Een solo, hij doet een stap naar voren, en dwingt het publiek om te luisteren naar wat hij te zeggen heeft. Hij valt er desnoods voor op zijn knieën, maar luisteren zullen ze. Hij doet het even voor, beweegt zijn handen langs een denkbeeldige gitaarhals: "Dieuwdieuw....en dan even niks...en dan langzaam opbouwen-...alsof je een verhaal vertelt". Hans van Lier vertelt al jarenlang zijn verhaal op het podium, al vijfentwintig jaar lang om precies te zijn. En het is nooit hetzelfde. Overal duikt hij op, of het nu in café Boven Jan is, waar hij sessieavonden organiseert, of met bands als Plat of Billy & the Bluesdemons, Hans van Lier is verkleefd met de bluesscene van Groningen. Het is een kleine wereld, maar hij ziet zich niet zo gauw vertrekken, 'daar ben ik toch teveel Groninger voor'.

Niet dat hij die kansen niet heeft. Vorig jaar vertrok hij naar de States, de eerste keer met mondharmonicaspeler Richard Koster, die ook wel Billy the Kid genoemd werd (totdat er een flauwe gast uit Den Haag met die naam vandoor ging). Ze hadden op de Bluesnacht in cultuurcentrum de Oosterpoort zo lekker gespeeld dat de manager van Double Trouble, Miki Mulvehill, hen uitnodigde om daar opnames te komen maken. Zij naar Minneapolis. Geweldig was het geweest. Verdomd mooi nummer opgenomen, 'Minnesota Mama' Van Lier schreef de muziek en Koster schudde de tekst zo uit zijn mauw. Maar terug in Nederland begon het Van Lier te jeuken. Zijn neef had gezegd 'waarom ga je niet met die jongens van Double Trouble (begeleidingsband van wijlen Stevie Ray Vaughan, red.) spelen?' Ah nee, had hij gezegd, dat willen ze toch niet. Toch maar bellen, met Miki. "Sure honey, why not" zei ze tot zijn verbijstering. Er werd een studio geregeld in Austin, Texas. Daar nam hij in oktober met bassist Tommy Shannon, drummer Chris Layton en Nick Connolly op Hammondorgel zes nummers op. Vreemde ogen dwingen, zeggen ze en of het nou aan die andere omgeving lag of niet, daar durfde hij het ineens te doen. Een liedje opnemen over een onderwerp dat hem al jarenlang bezighield; zijn doodgeboren dochtertje, Karlijn. (lees verhaal) Een beetje aarzelend had hij het voorgelegd, tijdens het eten. Het zal al in zijn hoofd, het was niet een gewoon bluesschema en wilden ze misschien..."Ze vonden het een prachtig gegeven. Ik hoefde bijna niets uit te leggen. We dronken koffie, gingen in de studio staan, de tape rolde en het stond er in één keer op. Dat zijn van die momenten, dan heb je geen woorden nodig". Brothers, dat waren het. In een band zoekt hij een soort familie. Mensen die je begrijpen. Want behalve zijn broer Harry van Lier, ook bepaald geen onbekende in de Groninger jazzwereld, was niemand van zijn familie muzikaal. "Die saamhorigheid, ik denk dat ik die zoek op het podium. Ik hou niet van competitie en zo. Maar dat wil niet zeggen dat je elkaar niet op je donder mag geven. Een schop onder de kont is wel eens goed." Emoties, hij vindt het altijd moeilijk en raar. Daar groei je in Oost-Groningen niet mee op. Hij was een jongentje met veel fantasie. Toen ik acht was schreef ik verhalen op de typemachine van mijn vader. Over beren in het bos en zo. En vlak voordat ik ging slapen stelde ik mijn top tien samen. En zong ik liedjes van de Beatles tot ik in slaap viel". Een éénzelvige jongen; hij voelde zich, zoals veel vakgenoten, in zijn jeugd onbegrepen. 'Wacht maar' dacht hij dan 'Later als ik groot ben zal ik wat laten zien'. Dat dit soort gedachtes vaker aan de wieg staan van grote carrières, mag nagenoeg bekend zijn. Maar erover praten? Dat nooit. Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg, was het credo van zijn omgeving. Van Lier: "Ik dacht vroeger altijd, ik hou me maar stil dan is het altijd goed". En dat kan, als je dat doorvoert, tot rare dingen leiden. "Ik heb verschrikkelijk mazzel dat ik gitaar kan spelen, dus dat ik in dit vak gerold ben. Maar het is een gevaarlijk vak. Kijk, als je bij een bakker werkt, dan is er niks aan de hand. Ga je na je werk naar huis. Maar blues? 'Blues en booze' zeggen ze altijd, nou dat heb ik geweten ook. Altijd dronken en stoned. Alsof je die emoties zo kunt verwerken of beter kunt tonen, maar dat is niet waar. Je blaast ze er alleen maar mee op".

Tien jaar lang heeft hij dan ook geworsteld met de alcohol, die kwam en ging. Nu is hij al een hele tijd clean en het bevalt hem goed. Hij voelt zich sterker, scherper, en meer opgewassen tegen de wereld. Stabieler? Nou neu. Zo zou hij het niet willen noemen. "Volwassener, denk ik". Drank, een onbegrepen jeugd en een trieste oogopslag; hij is zo te zien bijna de verpersoonlijking van de blues. Maar dat is niet zo. "Ik ben ook een heel vrolijke jongen. Een hele avond blues spelen, daar vind ik niets aan. Er moet een mengvorm zijn. Beetje soul, wat hardrock en rock & roll. Dat geeft me een enorme kick. Die energie". Maar wat is er over van dat 'wacht maar' gevoel van de jongen uit Siddeburen? Naar Amerika hoeft hij niet, ook al zou hij er wel een jaartje willen wonen. Naar de randstad, tja het zou misschien beter zijn, maar ook dat trekt hem niet. Hij wil eerst de opgenomen zes nummers behoorlijk afmixen, samen met producer Michiel Hoogenboezem, en dan wil hij ze uitbrengen. In eigen beheer, hij wil alles in eigen hand houden. En dan? Hij weet het niet. Haalt de schouders op, neemt nog een slokje cassis en knikt. "Wat ik wil is vrede hebben met mezelf. Dan krijg je uiteindelijk wat je toekomt".

Bluesgitarist Hans van Lier
Bluesgitarist Hans van Lier vertelt al vijfentwintig jaar zijn verhaal op het podium.
© NVHN/Marcel Juria de Jong